paradijsje

We gaan even aan bij Bertus. De terracotta nestpotten die hij aan zijn huisje heeft hangen en een aantal van de zelfgebakken potten die hij op een tafel heeft uitgestald voor de verkoop, trekken ons naar zijn potterie. Mezenpotten noemt Bertus ze, maar ook bij de mussen en spreeuwen zijn ze in trek tijdens de broedperiode. Bertus vraagt aan Nico hoe het met hem gaat, die vervolgens vertelt over zijn medische avontuur. Bertus weet niet veel meer uit te brengen dan: ‘Tjonge!’

mezenpot

We kopen een nestpot van Bertus maar krijgen veel meer. Hij legt ons uit dat de nestpotten van lang geleden zijn en dat ze vroeger gemaakt werden met twee gaatjes in de hals, waar de mensen stokjes door staken. ‘En weet je waarom? Dan konden namelijk de ouders wel bij de jonge vogeltjes komen om te voeren maar de jonge vogels konden er niet uit. En weet je wat er dan gebeurden met de jongen?’ Bertus draait de pot om en toont ons het gat in de achterkant. ‘Als de jonge vogels dik genoeg waren, werden ze er uitgehaald om op te eten. Gratis vlees!’

Bertus raakt op dreef. Hij vertelt ons hoe de Franse botervlootjes werken en hoe hij tot het maken van zijn fraaie tap kwam. Ik wil hem bedanken en succes wensen met zijn werk maar Bertus is nog lang niet klaar met ons. Hij moet nog wat laten zien achter zijn huis.

‘Kijk, daar ben ik tegenwoordig mee bezig,’ en hij wijst naar een rond bouwwerk. Het onderste gedeelte bestaat uit houten delen en het dak is van tentdoek waarvan een gedeelte open staat. Hij verzoekt ons eerst met het rechterbeen naar binnen te stappen. (Waarom dat is, vragen we ons pas op de terugweg af.) De kleine krielkipjes die daar lekker scharrelden rennen allemaal een kant op. Ineens wanen we ons een paar eeuwen terug in de tijd. Bertus vraagt ons plaats te nemen op de bankjes die rondom in de tent staan. Zelf neemt hij plaats op een laag stoeltje bij de resten van een kampvuurtje, waar rondom keitjes liggen. ‘Kijk,’ zegt hij, ‘zo kan ik koffie voor jullie zetten. Of een kippetje grillen.’ Terwijl hij vertelt over de kook mogelijkheden wisselt hij de attributen boven het as die daar bij nodig zijn. ‘De schors van een berk is het aanmaakblokje van nu,’ demonstreert hij.

tent

Hij vertelt ons dat hij hier uren kan zitten met zijn vijf kleinkinderen en dat hij hun moeders dan stokbrood boven het vuur laat bakken die gespietst worden aan een dunne tak. ‘Ik kan jullie ook over mijn reis door Lapland vertellen,’ en hij pakt een stok van de muur waaraan een scala van vondsten zijn bevestigd. In het begin van de tak staan twee kruisjes en drie streepjes gekerfd. Deze staan voor de maanden en de weken die de reis geduurd heeft. Schelpjes, stukjes mos, eendenpootjes, schijven van jarenoude, maar toch heel dun gebleven bomen, veren en nog veel meer hangen aan de tak. En bij elk onderdeel heeft hij een verhaal. Bertus raakt compleet op dreef en wij in vervoering. Buiten toont hij ons een primitieve maar in vroeger tijden goed werkende vossenval. Nu hangt er een plastic kip aan, geen vos die er intrapt. Dat hoeft ook niet van Bertus. Hij blijft ons vermaken met zijn reisverhalen en lijkt van geen stoppen te weten. Totdat er andere mensen op zijn mezenpotten afkomen. We nemen afscheid van Bertus en bedenken dat we net een mooi cadeautje van hem hebben gekregen. Bertus, een paradijsvogel die te laat geboren is.